Kluger Hans #13
Volgens de Franse filosoof Lacoue-Labarthe – een naam waarin een koe en een vrouwelijke Assurancetourix in hetzelfde schuitje zitten, waarin met een slag in de nek, met een ‘coup de patte’ de koe de bard velt en vervolgens op zee moet blijven dobberen tot er gras op het lijk staat, zodat zij kan eten – volgens deze filosoof dus interpreteren we de mimesis-gedachte van Aristoteles verkeerd. We denken dat literatuur (en kunst in het algemeen) de werkelijkheid moet nabootsen, maar eigenlijk betekent ‘mimesis’ het ‘uitbeelden’ van de werkelijkheid. De Griekse tragedie construeert een werkelijkheid om onderliggende zaken te tonen.
De bestaansvoorwaarde van literatuur is haar fictionalisering en het lezen van fictie is een heilzame oefening. Je kijkt anders naar de werkelijkheid. In een maatschappij waarin we geframed worden om met zijn allen in dezelfde problematieken te denken, in dezelfde woorden te dromen, is lezen een daad van verzet. Een psychedelische handeling. Je leert je fantasie gebruiken. En fantasie is net waar men in crisismomenten nood aan heeft, niet een hand vol beschuldigende vingers.
Daarom. Lees de kortverhalen en gedichten in Kluger Hans 13 als fictie in het kwadraat. Door kleine verschuivingen en ongewone constructies kom je in een nieuwe wereld terecht: een engelland met robots, een ontembare honger en culinaire sensaties onder een vierkante, zwarte zon. Besmet met die nieuwe wereld kan je de wereld niet alleen relativeren, maar ook beginnen veranderen. De onmogelijke plannen van vandaag zijn de realisaties van morgen.
*
“’s Nachts werd ik wakker met het gevoel dat er een vreemde in mijn bed lag. Ik weet niet waarom, maar ik moest meteen aan mijn disgenote van gisteren denken – in de zwaarte van mijn dromen dacht ik zeker dat ze mijn kamer was binnengeslopen. Het bleek echter mijn been te zijn.”
(Walter Clark Mathilde)
Centraal in Kluger Hans 12 staat het modelechtpaar
Kluger Hans krijgt meer kleur en een citaat van godbetert Samson & Gert op zijn cover. En toch gaat de herinnering aan kinderliedjes eerder schuren en bijten in de prozagedichten van Wouter Steyaert, “ziek van alle gootliggers om mij heen, die ervoor kiezen om daar te liggen.” Ook Ágnes Lehóczky brengt een “wervelwind aan oneindige aantallen stemmen” in ‘Stadsparasiet’, een poëtische wandeling door Sheffield, geschreven op vraag van deBuren. Daartussenin wriemelen de vierkantige gedichten van Paul Janssen, niet alleen van (opnieuw) meerstemmigheid, maar ook van fruitvliegjes.
Kluger Hans #10 wil in zijn inleiding met de nodige balorigheid roepen dat natuurkundigen nog veel kunnen leren van de dynamische systemen die verhalen en gedichten zijn. Maar wie het nummer in de hand neemt, wordt vooral uitgenodigd om zich in die systemen onder te dompelen.
“Het dichter-zijn beschouw ik niet alleen als poëzie maken, maar ook als deel uitmaken van een gemeenschap, reëel of virtueel. Daarmee draag je een soort verantwoordelijkheid voor anderen en hun werk, de taak om hen te steunen. En uiteraard daardoor ook de verantwoordelijkheid voor jezelf, om jezelf te laten steunen, inspireren of uitdagen door anderen. Die twee aspecten beschouw ik als onafscheidelijk, zoals spreken en luisteren, misschien.”
Kluger Hans #08 wikileakt de crème de la crème van de literatuur. Een witbehaarde man in lange regenjas stopte een van onze redacteuren in een supermarkt in Middelburg ter hoogte van het vrieseiland een envelop toe met vertrouwelijke gedichten van 


